Een gesprek met kunstenaar Johan Clarysse, schilder en dichter

‘Omdat gewoon leven niet volstaat’ Patti Smith

tekst Kathleen Ramboer

Op een zonnige winterdag zit ik aan een gezellige keukentafel in een fel hoopvol daglicht samen met kunstenaar/poëet Johan Clarysse, klaar voor een warm gesprek. Talrijke onderwerpen passeren de revue: zijn loopbaan als kunstenaar/dichter, kunst en schoonheid, de communicatie met de kijker, techniek, zijn poëzie… en zo veel meer. Johan Clarysse doorspekt het gesprek met filosofische beschouwingen wat het interview een boeiende wending geeft en mijn horizon verruimt. Het zijn drukke dagen voor de kunstenaar. De aanleiding voor dit gesprek zijn een solo expo ‘Back to the nineties’ met lyrisch abstract schilderwerk uit de jaren negentig én de presentatie van zijn tweede poëziebundel ‘Randschade’.

Kunstpoort Waarom stel je nu vroeger werk tentoon, de reeksen ‘Odyssee’ en ‘Van Stof Tot Steen’? Verkoos het Willemsfonds, organisator van de expo, specifiek deze 2 series of komt het idee van jou? A la recherche du temps perdu?
Johan Clarysse Mijn eerste idee was weinig gekend werk te presenteren zoals mijn collages. Toen dacht ik waarom geen ouder werk tonen? De reden daarvoor is dat ik de voorbije jaren ben  geconfronteerd met de eindigheid van het leven met als effect een extra vibe om te creëren én het willen terugblikken op wat is geweest. Wat heb ik betekend als mens en als schilder?

Kunstpoort Je ‘Odyssee’ reeks en ‘Van stof tot steen’ reeks doen me vooral denken aan voorhistorische grotschilderijen of tekeningen, dit door hun textuur en typische aardkleuren, het zijn picturale materieschilderijen. Is het een blij en verrassend weerzien als je terugblikt naar deze vroege schilderijen? Ben je er nog altijd tevreden over?
Johan Clarysse Mijn nieuwe levenssituatie bracht de drang tot het maken van een inventaris met zich mee. Van 1988 tot nu kom ik zo tot een kleine duizend werken: schilderijen, tekeningen, collages. Deze twee reeksen die ongeveer 30 jaar in mijn atelier gestockeerd stonden, liggen me na aan het hart. Deze werken hebben mij als kunstenaar op de kaart gezet. Ze maken deel uit van mijn schilderkundige identiteit, ik ben die werken nog altijd. Ze dragen de kiem in zich van wat later volgde. In deze reeksen zie je het figuratieve element in mijn oeuvre binnen sluipen. De canvassen bevinden zich op de grens van pure abstractie naar figuratie. Geabstraheerde archetypische symbolen zoals ramen, een huis, boot, zeppelin, een zwaard… komen tevoorschijn, maar vooral vormelijk zie ik deze reeksen als de basis voor later werk. Je voelt het spel met beeldende spanningsvelden, hét kenmerk van goede kunstwerken volgens mij. Dit kan zijn een licht donker contrast, figuratie versus abstractie, , lineaire of grafische accenten tegenover organische, picturale tegenover sculpturale elementen enz… Die periode zocht ik ook naar een mogelijkheid om 3-dimensionaal te werken. Verf mengde ik met zand, cement, mortel en ik begon objecten in mijn schilderijen te integreren.

van links naar rechts
Afbeelding 1: Odyssee III, 120×100 cm, 1993
Afbeelding 2: Odyssee XX, 150×180 cm, 1993

In de ‘Van Stof Tot Steen’ reeks haalde ik mijn inspiratie uit een reis naar ‘Weltshire’ in Zuidoost-Engeland. Het is een streek met talrijke prehistorische sites en imposante stenen constructies, grafmonumenten, magische stenen cirkels, megalieten. Ik was onder de indruk van deze historische locaties, ze hebben iets sacraal, mystiek… en ik begon stenen te schilderen die een eigen leven zijn gaan leiden, ze zweven over het canvas of gaan verstild liggen. In het werk voor de uitnodiging van deze expo  (cfr infra) speel ik bv met de tegenstelling van het massieve en organische van de steen met het kwetsbare en lineaire van de stoel erboven op. Dat zorgt voor een extra spanning in dat beeld.

Afbeelding 3: Van stof tot steen X, 120×100 cm, 1995

Kunstpoort Je stijl en techniek is ondertussen sterk veranderd. Ik zie het als een persoonlijke odyssee, een zwerftocht doorheen je individuele schilderkunst en die van de kunstgeschiedenis. Sluit je huidige stijl meer aan bij de thema’s die je tegenwoordig behandelt? Hoe evolueerde je stijl, techniek, plots of langzaam aan?
Johan Clarysse In het begin was er de pure abstractie in primaire kleuren, veel blauwen en roden, dan volgde de ‘Odyssee’ en ‘Van Stof Tot Steen’ reeksen die zich bevinden op de grens van abstractie en figuratie: velden lyrische abstractie en daarin archetypische symbolen, geschilderd in aardekleuren (cfr afb 1,2 en 3). Op een bepaald moment stapte ik over naar woord/beeld schilderijen. De Dachau-reeks neemt hier een prominente plaats in en betekende de start van de woord/beeld werken. Een bezoek aan Dachau greep me zodanig aan dat ik de noodzaak voelde een nieuwe reeks te starten in een nieuwe beeldtaal, iets totaal anders dan de materie kunst van de ‘Odyssee’ en de ‘Van Stof Tot Steen’ reeks. Naast het abstract/figuratieve, het organische versus lineaire, doet hier een woord/beeld element zijn intrede. Het integreren van woorden in mijn schilderijen hield ik een tijdje aan (cfr afb 4). Omdat het geen systeem zou worden ben ik daar op een bepaald moment van afgestapt en is het puur picturale in een figuratieve context meer op de voorgrond gaan treden (cfr afb 5). Voor mij zit er een lijn in mijn evolutie, zijn het geen bruuske overgangen. Voor een buitenstaander kan dat wel zo overkomen. De potentiële kracht van al die reeksen ligt   voor mij in de al dan niet subtiele, plastische spanningsvelden die ze vertonen: de spanning onder andere tussen kleuren, tussen vormen, lijnen, vlakken, de spanning tussen licht en donkere partijen, tussen dekkende en transparante verflagen, tussen enerzijds schetsmatige en suggestieve stukken en meer gedetailleerde of uitgewerkte stukken anderzijds… Vooral dat soort zaken zorgt, denk ik, voor een continuïteit in mijn oeuvre. Of een werk figuratief of abstract is wordt dan in zekere zin bijkomstig.

Maar ik heb dus blijkbaar thema’s nodig die mij intrigeren om gedreven te kunnen schilderen. Om mij niet te verliezen in de vele indrukken en associatieve ideeën die mij overvallen werk ik graag in reeksen, al wil ik daar ook de slaaf niet van zijn. Die reeksen kanaliseren die veelheid van impressies die op mij afkomen, geven ze een bedding.  Maar dat is eigenlijk niet hét belangrijkste. Wat vooral telt is de vormkracht van een werk: die beeldende spanningsvelden dus waarover we het zopas hadden en de manier van omgaan met verf, kleur enz…

Afbeelding 4: Suspicious landscapes (Icarus is lost), 60×100 cm, 2010
Afbeelding 5: Marat is alive, 60×100 cm, 2025

Kunstpoort Was er een zekere onzekerheid bij de start van je carrière, over de vroegste werken? Of dacht je onmiddellijk dit zit goed? Was er twijfel?
Johan Clarysse Ik twijfel nog altijd. Twijfel is een positieve attitude voor een kunstenaar. Verwar twijfel niet met vertwijfeling want dan ga je niet meer tot actie over. Waar ben ik mee bezig, ben ik nog goed bezig? Dat zijn ‘levensnoodzakelijke’ vragen voor een kunstenaar. Zelfvertrouwen is natuurlijk ook belangrijk, dat verwerf je door intensief bezig te zijn met je kunst en door de respons ook op je werk…

Kunstpoort Een citaat van Yves Joris: ‘Kunst mag dan wel spreken zonder woorden, het heeft een publiek nodig om echt tot leven te komen’. Probeer je zoveel mogelijk tentoon te stellen of liever niet te veel?
Johan Clarysse Kunst is voor mij nog altijd een vorm van communicatie, zij het communicatie via een omweg omdat het de dingen meer gelaagd en complexer maakt. Een kunstenaar die beweert: ‘Ik schilder alleen voor me zelf en niemand hoeft dat te zien’ dat geloof ik niet, tenzij het gaat om een louter therapeutische act en dan nog. Tentoonstellen is natuurlijk ook je kwetsbaar opstellen, het is een vorm van geven ook. Als kunstenaar moet je bovendien een minimum aan gezond egocentrisme en eigenliefde hebben. Geen arrogantie, daar neem ik afstand van.

Kunstpoort Ik stel vast dat je werken vanaf het begin, ik veronderstel de jaren 90, tot nu visueel zeer aantrekkelijk zijn. Was en ben je nog altijd op zoek naar schoonheid? Is het de bedoeling te verleiden door en met het schone? Primeert dat boven de inhoud? Of is het een middel om tot de inhoud, de kern van het schilderij te komen?
 Johan Clarysse Het begrip ‘schoonheid” was lang taboe in de kunstwereld, had een pejoratieve klank. Ooit beweerde ik zelf:  het gaat niet over ‘is een werk mooi?’ maar wel ‘is dat werk interessant, schilderkunstig gezien boeiend’? Het één sluit natuurlijk het andere niet uit. Het is zeker niet de bedoeling ‘schone prentjes’ te maken. En alles hangt af van ‘Wat versta je onder schoonheid’? Een goed schilderij mag voor mij best visueel aantrekkelijk zijn maar het moet tezelfdertijd ook iets weerbarstig in zich dragen, iets dat wat ‘wringt’ of ‘schuurt’. Bv iets dat ‘onaf’ lijkt, een perspectiefvervorming, een abstract gegeven in een overwegend figuratief beeld, een combinatie van beeldelementen die verrast enz. Een werk moet het liefst vragen oproepen, de behoefte aanwakkeren een eigen verhaal te vertellen. En dat wijkt af van een klassieke definitie van schoonheid.

Kunstpoort Je schrijft niet alleen poëzie maar schildert of tekent ook poëtisch. Tekeningen van jou verschenen in de dichtbundel ‘Verdraaide liefde’ van Jan M. Meier. Een eigen dichtbundel met persoonlijk werk, is dat een optie?
Johan Clarysse Dat biedt zeker perspectief en was ook een suggestie van de uitgever. Ik deed het tot nu toe bewust niet. Ik hou er niet van dat mijn tekeningen als illustraties overkomen. Mijn schilderkunst en poëzie hou ik voorlopig graag gescheiden. De tekeningen in de bundel van Jan M. Meier zijn niet speciaal voor die gedichten ontworpen. Er is een relatie tussen woord en beeld maar die is weerbarstig, zoals dat ook in mijn woord-beeldschilderijen destijds het geval was, ergens wringt het ook.

Kunstpoort Je tweede dichtbundel ‘Randschade’ is van de drukpersen gerold. We leven in een tijd waarin we razend snel leven en geleefd worden, een tijd waarin we vergeten te luisteren of stil te staan, een tijd waarin beelden je overrompelen en woorden minder gehoord worden. Wat betekent het vandaag de dag om poëzie te schrijven? Wat is het belang van een dichtbundel in 2026? Is er nog een publiek dat verlangt naar poëzie?
Johan Clarysse Poëzie is een kleine niche geworden. In mijn ogen is het de meest zuivere vorm van kunst: bijna niemand leest het en je kan er niets mee verdienen. Niemand is met dichten ooit rijk geworden. Misschien is poëzie belangrijk omdat het zo nutteloos is, nutteloos in commercieel opzicht. Maar ze is meer dan ooit betekenisvol, precies omdat ze een antigif vormt tegen het hapklare en vaak gedachteloze consumeren van woorden, ideeën en beelden, zo typisch voor deze tijdsgeest. Poëzie nodigt uit tot vertraging en verstilling, daagt je uit om af te stappen van je conventionele manier van waarnemen, denken, voelen.

Kunstpoort Misschien is schrijven een noodzaak om bepaalde fases in je leven een plaats te geven, te verwerken? Is het een drang die je voelt om te creëren? Nodig om te voelen dat je leeft? Is het een passie?
Johan Clarysse Tijdens het schrijven herken ik dezelfde drijfveren als bij het schilderen. Enerzijds heeft het iets dwangmatigs, iets driftmatigs. Patti Smith vroeg men ooit: ‘Waarom schrijf je nog?’ Ze antwoordde ‘Omdat gewoon leven niet volstaat’. Dat klopt, voor mij gaan schrijven en schilderen gepaard met een zekere urgentie. Die urgentie volstaat natuurlijk niet om een goed werk te maken. Het is voor mij een noodzakelijke maar niet voldoende voorwaarde om tot een interessant schilderij of gedicht te komen. Of een gedicht of een schilderij  goed of slecht is heeft zoals gezegd vooral te maken met vormkracht: het vinden van kleuren, vormen, woorden, beelden enz. die elkaars aanwezigheid nodig hebben om een goed gedicht of schilderij te zijn!

Poëzie en schilderkunst leunen wat dat betreft dicht tegen elkaar aan. ‘Poëzie is stomme schilderkunst en schilderkunst is sprekende poëzie’ schreef Simonides van Ceos. Zowel dichtkunst als schilderkunst werken beide met beelden die een communicatieve kracht in zich dragen, enkel het gehanteerde materiaal is anders.

Kunstpoort Je vorige bundel ‘Het geduld van water’ lijkt lichter van toon dan ‘Randschade’. Er zijn redenen om niet vrolijk te zijn: de tijdsgeest, vervlakking, de klimaatopwarming, ziekte… dat weerspiegelt zich in ‘Randschade’. Er is de confrontatie met de eindigheid van het leven. Ik werd er aanvankelijk niet vrolijk van en las de bundel met mondjesmaat. Hoe komt het dat je bundel toch een positieve klank nalaat, lucht en ruimte biedt?
Johan Clarysse Ik ben geen lichtvoetige dichter, dat klopt, en toch zit er inderdaad ook lichtheid in de bundel en is er – voor de goede verstaander –  ook ironie  aanwezig tussen de regels. De eerste cyclus ‘lijfspraak’ handelt over een ziekenhuiservaring, de confrontatie met lichamelijk ongemak en eindigheid. De tweede cyclus bijvoorbeeld bevat vooral liefdesgedichten. Twee polen zijn in de dichtbundel constant aanwezig en houden elkaar in balans: enerzijds het besef van eindigheid, vergankelijkheid, anderzijds de levensdrift, veerkracht en vitaliteit.  Ook de laatste cyclus in de bundel ‘WIE NIET KIJKT, ZIET NIET’ kan je lezen als een antwoord op dat eindigheidsbesef. Het is in zekere zin een pleidooi voor blijvende verwondering omdat die per definitie vitaliseert. Verwondering heeft dan weer veel met kijken en zien te maken en daar vragen bij stellen. Kunstenaars zijn volgens mij goede observators…Ik weet dat dit op zich geen originele thema’s zijn, een groot deel van de poëzie gaat daarover, maar ik wil daar mijn eigen stem in laten horen. Alles is al gezegd, maar nog niet op mijn manier, daar moet je van uitgaan.

Kunstpoort Denk je dat je met deze bundel mensen in eenzelfde levenssituatie helpt?
Johan Clarysse Dat is niet mijn bedoeling maar als dat zo is, lijkt me dat mooi meegenomen. Ik vertrek van een persoonlijke ervaring maar probeer het particuliere van die ervaring te overstijgen, een universele dimensie te bezorgen. Ik schrijf niet over -mijn- maar over hét gemis, hét lichamelijk ongemak, dé eindigheid. Met mijn gedichten raak ik hopelijk wel een gevoelige snaar.

Kunstpoort De bundel is biografisch. Je put uit je persoonlijke levenservaringen. Je fragiele gezondheidstoestand dwaalt rond in bepaalde gedichten. Heeft schrijven een positieve invloed op je gemoed?
Johan Clarysse Voor mij was het een stukje bevrijdend inderdaad. Maar daar zit ook een gevaar in. Als je schrijft over zaken die heel dicht bij je staan ben je soms emotioneel te betrokken. Ik voelde de noodzaak mijn gedichten een tijd te laten rusten om later serieus te kunnen schrappen en die algemene dimensie binnen te brengen.

Kunstpoort Op pagina 23 lees ik de volgende regels van het gedicht Nabestaand:

Daar vind je me terug, misschien.
Tussen boeken, verf en verzen.
Je verkeert in je terugblik
als in een levend huis…

Is het belangrijk dat je herinnerd wordt als schilder en dichter/schrijver? En wil je sporen nalaten? Misschien betekent verlies dan niet het einde?
Johan Clarysse Ergens hoop je stilletjes dat je nog een beetje voortleeft in je werk. Dat is vanzelfsprekend niet de enige drijfveer. Ik wil vooral mensen in het hier en nu bereiken. Let ook op het woordje ‘misschien’ in het citaat. Je hoopt dat, maar er is geen enkele garantie dat dit zo is. Je legt tenslotte een stuk van jezelf en van je ziel in je gedichten.

Kunstpoort Je beeldspraak is helder, visueel herkenbaar, niet cliché, origineel, verrassend en daarom volgens mij vrij toegankelijk. Schrijf je bewust geen hermetische gedichten?
Johan Clarysse Ik zoek de balans tussen raadselachtigheid en helderheid. Ik citeer graag een uitspraak van Rutger Kopland in dat verband: ‘Ik schrijf gedichten die op een heldere manier raadselachtig zijn en op een raadselachtige manier helder’. De twee extremen zijn volgens mij weinig interessant. Bij te hermetische gedichten heb je geen sleutel om het gedicht binnen te komen. Heel eenduidig en transparant is eveneens te mijden, want dan mist het gedicht gelaagdheid en mysterie. Een gedicht is  per definitie verdichting voor mij.

Kunstpoort Een schrijver van romans en verhalen dat zie ik niet in je?
Johan Clarysse Voorlopig niet…In mijn jeugdige jaren heb ik me in een schrijfcursus wel een paar keer aan een kortverhaal gewaagd. Mocht het leven mij gunstig gezind zijn, dan hoop ik te schrijven aan een weinig voor de hand liggende combinatie van essay, poëzie en dagboeknotities, een mix van genres dus en eerder beschouwend van aard; een beetje naar het voorbeeld van een Nederlandse schrijfster Lieke Marsman die ik hoog waardeer en die ik trouwens in het begin van de bundel citeer. Wie weet…

Kunstpoort Gaat het gedichten schrijven vlotter naarmate je meer ervaring hebt? Vind je ze nu beter?
Johan Clarysse De twijfel is en blijft een constante. Mijn eerste bundel is vrij goed onthaald, met mijn tweede wil ik toch het relatieve succes van de eerste evenaren. Dat zorgt voor een zekere stress, maar ik vind dat ok. Hoe meer je schrijft of schildert hoe meer je het métier ontwikkelt. De idee dat een gedicht vlot in één ruk geschreven wordt is meestal een fictie. De eerste versie misschien wel maar dan volgt nog een lange weg van schaven, corrigeren, schrappen, herschikken… Een gedicht schrijven is ook ambacht.

Kunstpoort Kan je me de titel ‘Randschade’ verklaren?
Johan Clarysse Het is een woord dat ook in de bundel voorkomt: in het gedicht ‘Uitzicht’, het eerste gedicht uit de cyclus WIE NIET KIJKT, ZIET NIET (p. 46):

De middag zet zijn ramen open:
een tuin vol weegbree, paardenbloem
en kattenpis. Een kraai verdwijnt in
de schaduw van een haag.

Daarachter zwijgzame huizen
voorbijschuivende silhouetten
een passant die de dag vervloekt
het niet begrijpende kind dat hem vergezelt.

In hun voetafdruk hangt randschade.

De kamer vult zich met het oog
dat kijkt. Licht valt op het lege doek.
Silhouetten worden cirkels, huizen dijen uit
de tuin een strook, het kind een kras.

Pompejaans rood en nachtzwart
rollen er doorheen. Feest
op de rand van een vulkaan.

‘Randschade’ is voor mij een mooi en suggestief woord dat vrij veel open laat. In de Van Dale lees je min of meer deze uitleg: het is neveneffect van een bepaalde handeling of situatie, een effect dat vaak niet of te laat opgemerkt wordt. Dat neveneffect kan zowel mentaal als fysiek zijn, denk bv aan de neveneffecten van sommige medicatie.  Je kan het ook meer filosofisch invullen. Randschade is eigen aan de ‘condition humaine’, aan het leven. Een neveneffect van leven is ons besef van vergankelijkheid. Cfr de filosoof Heidegger: ‘Dasein ist sein zum Tode’.

Kunstpoort Waarom koos je dit schilderij voor de cover?
Johan Clarysse Het schilderij met als titel ‘dance for forgiveness II’ verbeeldt een danser die uit de duisternis opduikt. Het spel van licht en duisternis is sterk aanwezig in dat beeld. Die tweeledigheid van licht en donker weerspiegelt zich in de bundel. Het beeld is suggestief en open, nodigt uit tot meerdere interpretaties zoals ook de titel ‘Randschade’ dat doet volgens mij.

Kunstpoort Stel je soms de vraag: Wat als ik geen kunstenaar was geworden?
Johan Clarysse De wat-als-vraag is eerder een spielerei. In elk geval heb ik geen spijt van mijn gemaakte keuzes. De magie van het beeld heb ik ontdekt via de film en via een tante nonnetje die een kunstbibliotheek had in haar klooster. Na mijn studies aan de KULeuven vond ik uiteindelijk de weg naar de kunstacademie. Pas de laatste 8 jaar heeft mijn passie voor poëzie, die door de combinatie van gezinsleven, vaderschap en een schildersloopbaan wat op de achtergrond was geraakt, een nieuw elan gekregen. Mijn simpele levensfilosofie is dat je  de keuzes die je maakt voluit moet omarmen, in het andere geval maak je best nieuwe keuzes, al klinkt dit gemakkelijker gezegd dan gedaan natuurlijk…

tekst Kathleen Ramboer
foto’s copy right Johan Clarysse

TENTOONSTELLING

BACK TO THE NINETIES

Speelmanskapel Beenhouwersstraat 1-3
8000 Brugge
i.s.m met het Willemsfonds Brugge
van 4 april tot 10 mei 2026

Afbeelding uitnodiging: Van stof tot steen VI, 70×90 cm, 1994

Vernissage vrijdagavond 3 april om 19u30
met introductie van Sonia De Bal onder de vorm van een interview.
Openingsuren vrij-za-zo van 15u tot 18u
de kunstenaar is aanwezig op zondagen

VOORSTELLING DICHTBUNDEL

i.s.m. het Masereelfonds Brugge
De Snuffel Ezelstraat 42 8000 Brugge
op zondag 3 mei om 11u
met medewerking van o.a. Herman Leenders, gewezen stadsdichter van Brugge,
Wout Clarysse die een aantal muzikale soundscapes componeerde bij de gedichten
en gastdichters Astrid Arns, Elise Vos en Annika Cannaerts.

https://johan-clarysse.be/

https://www.instagram.com/johanclarysse.art/

DAG ZEGGEN FAALT

beeldend werk en poëzie – marjan b

tekst Kathleen Ramboer – Marjan Brabants

De tekeningen van Marjan Brabants intrigeren me mateloos. Ik ontdekte haar op Instagram, met enthousiasme reageerde ik keer op keer op haar tekeningen. Haar sterk persoonlijke, hermetische poëzie liet me ook niet onberoerd. Toen ik de dichtbundel DAG ZEGGEN FAALT (geïllustreerd met tal van zelfportretten) in mijn handen kreeg, besloot ik Marjan Brabants te contacteren. ‘Had ze zin in een interview?’ mailde ik haar. Marjan wou liever schrijven.

Mailverkeer

naar aanleiding van het lezen van haar dichtbundel met zelfportretten
DAG ZEGGEN FAALT beeldend werk en poëzie
Cursieve teksten zijn fragmenten overgenomen van https://www.marjanb.com/boek

Dag Marjan b

Via Instagram leerde ik je poëzie en tekenkunst kennen en appreciëren. Massa’s zelfportretten verrassen me opnieuw en opnieuw, je tekeningen zijn telkens verrassend anders en toch altijd Marjan; Marjan met de grote ogen, soms vragend, dromerig, uitdagend, kwaad, onzeker, starend, ongelooflijk expressief….. En kijk plots veroverde ook poëzie je account. Tekeningen en poëzie vechten nu samen om aandacht.
‘Na mijn vaders dood, begon ik routineus te schrijven. Beeldend werken absorbeerde de schok niet en ik zocht intuïtief een uitweg.
Nu boort poëzie zich een weg tussen potlood en markers. Was de dichtkunst latent aanwezig en kwam die pas aan de oppervlakte bij het heengaan van je vader?

In je nawoord lees ik ‘We zijn ruim een jaar na de uitgave van mijn bundel DAG ZEGGEN FAALT. Het stof van een vader verdwenen ligt bedaarder, kroppen moeten minder weggeslikt.’
Is de drang naar het schrijven van poëzie nu minder? Of zal er altijd een gebeurtenis, ontmoeting en dat gevoel zijn die je laten grijpen naar de pen?

3 augustus ‘23
overgenomen uit boek DAG ZEGGEN FAALT

hoe harmonieus de tak
die telkens ’t juiste ritme vindt
op elke vlaag van wind


Ik hoop nog jaren te ontdekken stille verzen als deze, ze zachtjes te lezen, dromend van een welklinkende wereld in balans.

Het potlood was het attribuut van je pa om merkwaardige zaken te onderlijnen, jij gebruikt het als tekeninstrument. Wie weet hou je zoals je pa teksten bij, onderlijn je wat je boeit….
‘Hij was de literaire stem in ons gezin en die ruimte had hij verlaten, een plek om met hem te blijven praten.’
Ben je tevreden over je eigen schrijvende stem? Mis je een goedkeurende blik, het ultieme oordeel van je vader?

Mijn vader had een enorm egard voor Chet Baker en zijn muziek landde vol in mijn oren. Misschien werd daar mijn schrijfstem geboren? Één die, zoals Baker, net in een beperkt bereik kan zeggen wat er te zeggen valt.’
Misschien zou hij je aansporen meer volzinnen te schrijven?

Wat me opvalt. Je tekent jezelf niet als een vrolijke, blije Marjan die het leven toelacht, gulzig genietend van het ‘zijn’. Op één van je tekeningen ligt zelfs de tuin er kleurloos bij. Je portretten ogen droefgeestig en toch is er ook die andere Marjan, dat ben ik zeker. De melancholie haalt het van de lach. ‘Ik was een ernstig kind.’ schrijf je in je nawoord, ik vermoed, nu een ‘ernstige vrouw’ Op je tekening maakt de kat zich geen zorgen en knijpt de ogen dicht, waarom stel ik dan zo veel vragen?
ik weet niet
wie
anders te zijn
schrijf je in een gedicht, dat hoeft ook niet… zolang je maar gelukkig bent.

Ook je handen zijn suggestieve, expressieve zelfportretten, portretten in de stijl van je ogen. Ze verraden de goede tekenaar in je. Ik zoek wat ze te vertellen hebben. Het valt moeilijk te vatten voor mij als buitenstaander.

Uit je tekeningen spreekt zoveel liefde voor je hond en je kat maar ik hoop ook voor de mens.
Peren en appels zijn bij jou geen stillevens, ze leven op het dode papier.

Kan een dag leeg zijn; een dag zonder tekst, zonder sprekende tekeningen, met heel veel rust in je hoofd?

Dit zijn vele vragen van mij aan jou. Wat je kwijt wil aan de wereld, mag je me vertellen, het hoeft niet, maar graag. Dank je.

Lieve groeten Kathleen Ramboer
Bewonderaar en reporter van Kunst

Dag Kathleen

De ontmoeting tussen werk en kijker of lezer, het blijft iets mysterieus, en je brief is voor mij als gluren door een sleutelgat.
Ik pik dadelijk in op “Tekeningen en poëzie vechten nu samen om aandacht.”
Voor mij zijn het parallelle sporen. Misschien schrijf ik meer denkend en teken ik meer voelend, maar dat zijn twee kanten van dezelfde medaille. De innerlijke noodzaak om een lijn te trekken of een woord te typen, alsof ik me van iets moet bevrijden.
Poëzie was inderdaad al latent aanwezig, en de dood van mijn vader stookte het vuur om te schrijven op. Met tekenen alleen kon ik de schok niet dragen.
Vandaag voelt het minder urgent, maar ook het alledaagse, mijn hond of een tak, geeft op dezelfde manier aanleiding tot creëren. Wie weet wat morgen brengt, beeld noch gedicht laten zich tegenhouden of afdwingen.

Je vraagt of ik tevreden ben met mijn schrijfstem. Wel, ze is wat ze is. Ze is mijn vertaling van de horten en stoten van rouw, de flarden van herinneren, de opgebroken vader. Ik kon alleen zo schrijven: fragmentarisch, wegkappend op zoek naar iets wezenlijks. Eerder hermetisch besef ik, misschien een artistieke vorm van zelfregulatie, maar niet onlogisch gezien parallel mijn beeldend werk en de muzikale laag in mijn leven.

Ik mis het oordeel van mijn vader niet. Ik weet dat hij fier was, ongeacht. En voor volzinnen kan hij een roman openslaan.

Je wenst me toe gelukkig te zijn, en dat is wat mijn werk wel vaker oproept. “Gaat het goed met jou?” Onlangs ontdekte ik een zelfportret van Giorgio de Chirico uit 1911, met de Latijnse inscriptie “Et quid amabo nisi quod aenigma est?”: “En wat zal ik beminnen, zo niet het raadsel?”. Dat resoneerde omwille van zijn invalshoek. Is dit wat ik doe? Het enigma van zijn proberen te omhelzen? Niet iedere dag nee, alhoewel, en soms is leeg gewoon vol…

22 januari ‘23

wie
zichzelf niet draagt
in de vullende leegte
van wegdeemsterend licht
zwicht

Merci voor de ontmoeting Kathleen, alle goeds,

marjan b

PS: waar zag je die appels? En ik die dacht dat ik een peer kon tekenen, ik oefen nog wat.

Dag Marjan

Dank voor je eerlijke antwoord. Ik bekijk wanneer ik je tekst kan inplannen.
In elk geval hou ik je op de hoogte.

En inderdaad, het zijn wel degelijk fantastisch getekende peren die appels van je. Er is geen twijfel mogelijk. Ik dacht bij het kijken onmiddellijk aan de geaquarelleerde appels van Cézanne. Hij illustreerde er enkele brieven mee. De manier waarop je de bolle vorm plastisch weergeeft is voor mij à la Cézanne. Dat is de enige echte reden van mijn mis schrijven en niet je tekentalent.

groetjes en tot mails

Kathleen

Info

https://www.instagram.com/marjanbrabants/

DICHTBUNDEL
DAG ZEGGEN FAALT
21 x 28 cm
64 pagina’s
paperback
ISBN 9789464986709
prijs 22,95 euro
afhalen gratis / verzending met bpost 6,85 euro (BE)
formulier invullen zie https://www.marjanb.com/boek

Poëzie in beweging

Interview met Anne Provoost – Alja Spaan
een uitwisseling met MEANDERmagazine

MEANDERmagazine is een blog van onze noorderburen. Toevallig ontdekte één van de recensenten onze blog KUNSTPOORT. MEANDER contacteerde ons en dat resulteerde in een uitwisseling van een publicatie. Graag plaatsen wij het interview met Anne Provoost van MEANDER in de kijker en op hun beurt publiceren zij het KUNSTPOORT interview met dichter Rob Van de Zande.
https://kunstpoort.com/2022/01/25/dichter-rob-van-de-zande-een-romanticus-pur-sang/

MEANDER is een literair e-magazine over poëzie en heeft tot doel literatuur onder de aandacht te brengen van een breed publiek, gebruikmakend van de mogelijkheden van het internet. Ze besteden vooral aandacht aan aankomende dichters, publiceren elke dag beschouwingen, recensies, columns, interviews, hebben verschillende series lopen en nemen ingekomen kopij serieus.
Voor meer info https://meandermagazine.nl/

Wekelijks stuurt meandermagazine een nieuwsbrief naar een ieder die interesse heeft in poëzie. Gratis en voor niks.

INTERVIEW ANNE PROVOOST

‘De dichtkunst drukt het onvermogen uit om ons diepste zelf te verwoorden.’
interviewer Alja Spaan

foto © Mathias D’Haen

Anne Provoost schrijft romans, essays, korte verhalen en sinds kort ook poëzie. Ze is lid van de Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Zij won met haar werk de Gouden Uil, de LIBRIS Woutertje Pieterseprijs, twee keer een Zilveren Griffel, twee keer de Gouden Zoen. Haar roman –Vallen- werd verfilmd. Voor -In de zon kijken- kreeg ze de driejaarlijkse Cultuurprijs van de Vlaamse Gemeenschap, dat is de voormalige Staatsprijs voor Literatuur. Haar werk is in twintig talen vertaald.

Alja Spaan Onlangs verscheen je eerste gedichtenbundel Krop, gefeliciteerd daarmee. Waarom koos je na alle romans, kinder- en jeugdboeken en essays nu voor een gedichtenbundel?

Anne Provoost Ik werk al meer dan tien jaar aan het oorlogsverhaal van mijn grootmoeder in de Belgische Westhoek. Zij werd als klein meisje per trein weggevoerd uit de frontstreek in het jaar 1915 omdat in haar dorp aan het Ieperleekanaal de Duitsers de eerste grote aanval met gifgas inzetten. Onze overheid heeft na die inbreuk op de Conventie van Den Haag vier jaar lang kinderen weggehaald uit de gevarenzone. Ik wist nagenoeg niets van die grootscheepse evacuatie tot de VRT me vroeg om hier samen met Rita Mosselmans een documentaire over te maken voor Canvas. Ik dacht dat het bij die docu zou blijven, maar op een of andere manier heb ik zonder het goed te beseffen dat verhaal vervolgens geïnternaliseerd. Vooral het feit dat de kinderen – het waren er bijna 20.000 – met treinen werden weggebracht zette zich vast in mijn hoofd. De cadans van de stampers van de locomotief en het slaan van de ijzeren wielen op de bielzen werden ineens hoorbaar in mijn zinnen. Ik begon met een dreun te schrijven, alsof ik spoken word maakte, of misschien was het mitrailleurvuur. De dieperliggende reden was allicht dat ik best wel verbijsterd was over de wreedheid van wat zich in mijn geboortestreek heeft voorgedaan zonder dat iemand me er ooit over heeft verteld: kinderen die werden verminkt door granaatscherven, kinderen met een handicap die spoorloos verdwenen, familieleden die stierven. De nadruk op ritme ging zo ver dat ik de inhoud van mijn verhaal begon te wijzigen, in functie van versvoeten, en dat in een prozatekst. Zeker in een roman die op werkelijke feiten is gebaseerd is dat natuurlijk niet de bedoeling. Ik wilde van die cadansstress af, die hang naar klankmaat moest uit mijn systeem, en zo kwamen de gedichten.

Alja Spaan Recensent Herbert Mouwen, Meander, gelooft niet in ‘het gescheiden houden van de verschillende schrijfgenres waarvan een auteur zich bedient.’ Jij wel?

Anne Provoost Voor mij is het onderscheid heel scherp. In een journalistieke tekst is er een obligate één op één verhouding met de werkelijkheid. In een fictietekst wordt die verhouding minder stringent, maar hij is er nog steeds, want dubbelzinnigheid leidt ook daar tot misverstanden. Poëzie doet het omgekeerde. Betekenis is niet langer de essentie. Er gebeuren interessantere dingen in een gedicht dan het overbrengen van beduidenis.

Appelflauwte
Opgedragen aan Herman de Coninck

Degenen die er zo zeker van zijn dat het leven
van hen is mogen over mijn geboortewond praten
terwijl ik nog een beetje drink

Zoals we gedichten niet begrijpen omdat ze
in onze ogen schijnen, blijft alles wat hier staat
behoorlijk geslepen, want Nederlands is mijn
tweede taal en de film van mijn vroege beschaving
kan breken

Mijn heldere gedachten botsen als platen
want een letterlijke vertaling dobbert
als een meerboei in een plas

Mijn oude iconen zijn door Scheideggers geratel
al lang van de plank
hun zuivere intenties tot proppen gedraaid
met hun roep om meer klaarheid

Van dat beeld kan ik niet slapen, ook al
dwaalt er in iedere controverse een waarheid
dus houd ik mijn zachte meesters tussen mijn regels
als tussen smetteloos witte lakens en val regelmatig flauw
maar laat het niet zien

Alja Spaan Waarin verschilt het schrijven van poëzie met al je voorgaande werk?

Anne Provoost Je veroorzaakt een sensatie, eerst bij jezelf, later wellicht ook bij je lezer. Gedichten laten deurtjes in de hersenen openklappen. Je zet al het cognitieve opzij, je haalt de letterlijkheid weg, je hijst de witte vlag en geeft toe dat betekenis meestal tekortschiet, en dat je dus andere middelen zult inzetten om een indruk of een gevoel of een toestand van een zender naar een ontvanger te laten gaan. Meer hermetische verzen invoegen is een manier om net dat aan de lezer duidelijk te maken. Je zegt eigenlijk: ik ben vrij en jij ook, dus laat je meevoeren, kom in mijn krochten, geef je weerstand op, misschien ontmoeten we elkaar dan wel.

Alja Spaan Mouwen haalt uit een radio-interview van je dat ‘het een kwestie was van iets dat eruit moest, het zat opgekropt.’ Is het schrijven noodzakelijk (geweest) voor jezelf of wilde je een algemeen gevoel verwoorden?

Anne Provoost Die gedichten schrijven was voor mij in ieder geval geen hobby. Het voelde meer als een kuur. Ik moet wanneer ik schrijf altijd wel iets kwijt, maar ik moet het daarom niet altijd kwijt aan een publiek. In eerste instantie deelde ik mijn gedichten met intimi, onder meer met kunstenares Annabel Keijzer in Amsterdam, die er dan telkens een heel kleurrijk schilderij bij maakte. Gedichten gaan voor mij om het spel, om de dans, het slaan van de hakken. Ik hoop oprecht dat de lezer van mijn bundel de uitbundigheid voelt van een vrouw van 57 die als een kind de mogelijkheden ontdekt van het dichten.

Alja Spaan Uit dat interview spreekt ook dat je denkt aan de lezer terwijl je schrijft – je wilt ‘de woorden en hun mogelijke betekenissen samen onderzoeken’. Is de taal van de poëzie rijker? Heeft het de interactie met de lezer nodig? Is juist niet bij poëzie de taal omgebogen tot een duidelijke vorm?

Anne Provoost Een schrijver is allicht op zoek naar een lezer, maar hij is ook zijn eigen lezer. Elk menselijk brein heeft altijd wel schizofrene potentie, vermoed ik, en dus kun je als schrijver ook de ontvanger zijn van je eigen gedicht. Gedichten worden de hoogste vorm van taalgebruik genoemd, en dat zijn ze ook. Maar poëzie is daarom nog geen hogere kracht. De dichtkunst drukt het onvermogen uit om ons diepste zelf te verwoorden. Vaak maakt die dus gewoon duidelijk dat we helemaal niet in staat zijn om die woorden ook echt te vinden. We botsen op het onzegbare, en we zoeken er metaforen voor, maar dat betekent niet dat we daarmee een stap dichter bij het onzegbare zijn gekomen, laat staan dat we het hebben geïnterpreteerd of verklaard. Onze geest is nu eenmaal sterk begrensd, onze harde schijf te klein voor een hoop fundamentele inzichten. Poëzie kan daar niet veel aan veranderen. De dichter bezweert zijn gedachten door ze door op papier te zetten, meer niet. Om te leven en te overleven is de wetenschap nuttiger dan de poëzie. Van zodra men poëzie omschrijft als iets esoterisch – ik denk bijvoorbeeld concreet aan de beweringen van Mathias Desmet die nu in Vlaanderen ineens actueel zijn – haak ik af. Een duidelijke vorm? Ik zou zeggen, er is vorm, maar hij is niet altijd duidelijk.

Alja Spaan Mouwen zegt dat hij ‘soms vastloopt in de stapeling van beelden’. Is dat erg?

Anne Provoost Het gedicht lijkt een organisme, maar is het niet. Een organisme groeit uit zichzelf, en een gedicht wordt door een dichter gemaakt. Op een gedicht kun je ingrijpen. Al kan dat ingrijpen ook tegenvallen. Soms probeer ik twintig wijzigingen uit, om dan weer uit te komen bij de allereerste versie. Ik kan zelf ook niet goed tegen stapelingen van beelden. Je moet nooit proberen alle hoeken van de kamer ineens te laten zien. Ik dacht dat ik mijn beelden strak in de hand had, want elk gedicht baken ik af met mentale strepen in het zand. Vanuit één basiskleur vertrekken, en enkel afwijken om te contrasteren, niet om te variëren, is voor mij een belangrijke vuistregel. Maar ik zal vast niet de enige zijn die dichterlijke principes beter kan belijden dan ze in de praktijk omzetten.

Alja Spaan Je dicht over alledaagse dingen, stelt hij. Hoe ga je te werk?

Anne Provoost Het is de cadans die het voortouw neemt. De woorden echoën in mijn hoofd tot ik ze neerschrijf. Ik zoek naar wat woorden in nieuwe combinaties verluiden, en hoe ze dat doen. En ik stel verluiden hier bewust tegenover verbeelden. Beelden zijn maar beelden. In een crisis is naar mijn ervaring het eerste wat je wil doen taal vinden zodat je het overweldigende ervan kunt saucissoneren. Daarzonder ben je in vrije val. Taal is ons meest menselijke houvast. Als de crisis toeslaat vind je de werkelijkheid niet terug, maar je vindt er misschien wel enige taal voor. Het gebeurt dan dat we een gedicht of een dichter iets universeels ‘toedichten’, maar dat is er volgens mij enkel door projectie. Misschien is dat wat Mouwen bedoelt met die ‘alledaagsheid’. Als aan mijn gedichten allerlei universele waarden zouden worden toegekend, dan zou ik me daarvan distantiëren, denk ik. Elk gedicht blijft voor mij anekdotisch. Het is geschreven doordat mij iets is overkomen of opgevallen, niet iemand anders. Een vrouw die dood wordt binnengebracht op de spoedafdeling in Gujrat in Pakistan omdat ze een abortus heeft ondergaan, mijn betovergrootmoeder die werd gedwongen met haar twintig jaar oudere schoonbroer te trouwen nadat haar zus in het kraambed stierf, mijn neef die verongelukte op zijn fiets, mijn ouders die voor het eerst hun achterkleinkind ontmoeten als het al maanden oud is omdat ze het niet hebben mogen zien vanwege Covid, twee vrouwen in Frankrijk die worden vrijgesproken nadat ze hun man hebben vermoord, … de alledaagsheid van leven en dood inderdaad. Ik wilde geen ingesloten of symbolische wijsheden in mijn gedichten stoppen. Anderen mogen dat doen, maar ik ga die interpretaties beamen noch ontkennen. Ik verkoop geen wijsheid. Ik zou veel te ongerust zijn om als betweterig over te komen, of om een aanbieder te zijn van tegelwijsheden. Enkel de wetenschappen zijn een goed kompas als je wijsheid zoekt, want de wetenschap is onze echte gedeelde werkelijkheid. Kunst is zoals de liefde, beide zijn fantastisch om te hebben, maar de poëzie moet niet willen fungeren als een parallelle wereld om dingen op te lossen. Gedichten kunnen misschien een mens genezen, maar ze kunnen de wereld niet genezen. Wie het laatste veronderstelt leeft in een delusie.

Pik-pik-pik

Het einde begint als na een winter van monocultuur kauwen boven het meer
zweven als marionetten aan draden, zich verspreiden in een hoek van de
afbeelding en zich keren tot het straatparlement dat erin slaagt de hele schepping
in één gewichtloze lengte te dragen: ze bijten een hoekworm in helften.

We krijgen koude en broze voeten op deze weg van oud koraal, want we hebben
een kwestie over het hoofd gezien, we zijn in de atlas van broedvogels gaan staan,
apen en andere grondbewerkers hebben de meer realistische kijk gehad: zij
trokken zich terug in de wereld die dan toch niet vergaat zoals aangekondigd in
dat andere gedicht.

De machine die onze leeftijd kan raden verlaat het station als een sneltrein, een
aandeel terug voor elke minuut dat hij is vertraagd, de vooruitgang ebt weg,
het lied van de zangers van diverse pluimage raakt ons met een snavel, drukt ons
verlangen over de rand waar wij lijken te –

Alja Spaan Ook noemt hij dat het voor je prozawerk kenmerkend is dat je pijnlijke kwesties verzwijgt. Je gedichten daarentegen zijn heel direct. Geeft poëzie je daarmee meer kansen dan proza?

Anne Provoost De gedichten zijn een uitlaatklep voor mijn bezorgdheid over onder meer liefdes die groter worden naarmate je beseft dat je ze kunt verliezen. Ze opschrijven voelde echt als het lossen van een ventiel. Het genre was gewoon geschikter dan proza om de totale ontreddering te beschrijven die opsteekt als je èn in een pandemie zit, èn in een klimaatcrisis, èn je daarbij ook nog eens vaststelt dat je in een razend tempo veroudert. Ik kan er niets aan doen, maar dan ga ik op zoek naar handvatten om situaties vast te pakken en te beheersen. De handvatten zitten in het verwoorden, met cynisme en relativering, en in de esthetische ervaring die je krijgt als een versregel goed bolt. Dat laatste altijd onder voorbehoud. In crisistijd wordt de poëzie vanzelf een stuk minder lyrisch.

Zoals je nog zei toen ik stierf

Zoals je nog zei toen ik stierf waren we gewoon
lichamen bezorgd om de wind, chimaera’s
van vreugde en blijheid. We ademden en zuchtten
met de regelmaat van vallende appels.
Ons licht startte in ramen. We moesten
absoluut de klokken verslaan, want er zat geen geluid
in het gerucht. De zon werd een vuurvogel en
we leefden om het antwoord te horen, maar
het probleem werd niet opgemerkt door God de Vader.
Alles is rakelings voorbijgegaan behalve het vergeet-me-niet.
Het ga-niet-weg werd zo gewichtig als de steen
op een graf.

Er stond een boom in het bos met een gat in de bast,
daar woonden internettrollen, ze hadden gebochelde
ruggen en een slavencomplex. We lieten ze slapen, we wilden
niet een heel persoon de oven in duwen, het wordt zo ook
wel donker als een ongeschilde aubergine. De beek raakte lek
en de koeien werden vlekken, en hoogten en diepten hielden
slechts met lijm nog contact.

Dus scheld me nu maar uit met je laatste woorden, want
er is tussen ons iets enorms aan de gang. Maak me
jaloers op mezelf. De herfst heeft een koude ziekte, maar
wij hebben de kinderen, er branden waxinekaarsen
in de palm van hun hand.

Alja Spaan Hoe belangrijk is het fysieke element in je gedichten? Mouwen noemt het soms ‘de erotische laag’.

Anne Provoost De beslissing om poëzie aan te bieden aan de lezer is aan de liefdesdaad verwant. Je mompelt iets onverstaanbaars, en je probeert de ontvanger te verleiden om mee te gaan tot het eind. Dat is voor beide partijen zowel betoverend en beangstigend. Je weet niet wat er gaat gebeuren. Een gedicht kan je veranderen. Die liefdesdaad mag je heel breed opvatten. Zinnen formuleren impliceert bijna altijd uitreiken naar iemand anders, meerdere individuen samenbrengen rondom iets wat potentieel kan worden gehoord en begrepen, en dus gemeenschappelijk wordt.

Alja Spaan Kun je je herinneren wat het eerste gedicht was dat je las?

Anne Provoost Toen ik veertien jaar oud was beantwoordde ik een oproep in de krant. Een zanger vroeg naar teksten om te toonzetten, en ik zond mijn pubergedichten in. Ik kreeg een heel lange brief terug, handgeschreven, want zo ging dat in die tijd. De zanger had boven mijn gedichten streepjes en boogjes gezet. Hij legde uit dat versvoeten noodzakelijk waren als je van een tekst een lied wilde maken. Sindsdien weet ik dat gedichten alles met muziek te maken hebben. Veel jonge mensen vandaag hebben dat veel eerder dan ik begrepen. Ze maken van poëzie een collectieve ritmische bezwerende beweging in plaats van in te zetten op verstilling.
Ik denk overigens dat die hang naar dansmaat en fonetische nadruk eigen is aan een maatschappij onder spanning.

Alja Spaan Op Wikipedia staat dat je begon met schrijven toen je vier was maar dat nog niet echt kon en daarom de verhalen aan je moeder dicteerde. Wat een heerlijke start. Heeft je moeder je altijd gelezen?

Anne Provoost Ze leest me inderdaad nog steeds. Ze leest ook alle recensies. Laatst was haar reactie: ‘Hmm, die begrijpt het denk ik of… de auteur heeft het nog anders bedoeld! Laat ze maar gissen.’ Ze heeft door dat wat dubbelzinnig is, of triple-zinnig of quadruple-zinnig, in even grote mate wordt veroorzaakt door de lezer als door de schrijver. De schuifjes zijn open gegaan, de lezer is aan het ‘verlezen’, in mijn dialect betekent dat sorteren wat nuttig voor je is, en zo hoort het.

De gedichten in dit interview komen uit de bundel Krop.

Dichter Rob Van de Zande: een romanticus pur sang

copyright foto Bernadette Van de Velde

Kunstpoort reporter Bernadette Vandevelde portretteerde dichter Rob Van de Zande voor de backcover van zijn weldra te verschijnen boek: Minnebrieven -Brieven aan Haar- uitgeverij Aspekt. Weldra kleurt op Valentijn de liefde donkerrood. Als aanloop naar deze feestdag van de liefde laten we graag een ‘minnedichter’ aan het woord. Zoals het een schrijver past, antwoordt hij het liefst schriftelijk op onze vragen.

Kunstpoort Wanneer ontdekte je dat je graag schreef?
Rob Van de Zande Het gekke hieraan is dat ik eigenlijk nooit graag heb geschreven. Van bij het begin voelde het al aan als iets dat ik moest doen, niet iets dat ik graag deed.

Kunstpoort In welke levensfase ben je beginnen schrijven?
Rob Van de Zande Als prille twintiger.

Kunstpoort Je bent een klassiek dichter. Is er nog interesse voor klassieke dichtkunst?
Rob Van de Zande In de tijd van de Romantiek was er interesse in klassieke dichtkunst – het was toen de enige vorm van dichten die populair was. Heden ten dage is er meer interesse in moderne poëzie. Men leest liever hippe woorden, die de identiteit van de maker verraden, dan archaïsche raadsels, denk ik.  

Kunstpoort Vind je je sonnetten toegankelijk voor een groot leespubliek? Is het een niche? Vind je gemakkelijk een uitgeverij?
Rob Van de Zande Nee, toegankelijk voor een groot leespubliek zijn ze niet en zullen ze waarschijnlijk ook nooit zijn. Een niche? Beslist niet. Nu is het gemakkelijker voor me om een uitgeverij te vinden dan pakweg vijftien jaar terug. Maar dat heeft te maken met de kwaliteit van mijn werk. Iedereen groeit naarmate men het vaker doet. En dat was in mijn geval niet anders. Het duurde jaren vooraleer ik mijn persoon in de dichtkunst ontdekte.

Kunstpoort Waarom kies je voor sonnetten? Kan je daar in kwijt wat je echt wil zeggen? Waarschijnlijk moet je heel veel sonnetten schrijven om in het in de vingers te krijgen of gaat het bij je vanzelf?
Rob Van de Zande Aanvankelijk schreef ik voornamelijk kwatrijnen en korte verzen. Pas in mijn derde manuscript ben ik me echt gaan toeleggen op sonnetten. Een goed sonnet kunnen schrijven is als een ambacht, het vergt heel wat oefening en kunde. Zoiets – of je moet een wonderkind zijn – moet men leren. En hoe vaker je het doet, hoe beter je erin wordt. Je kan meer kwijt in een ballade dan in een sonnet, omdat je meer (speel)ruimte hebt. In een sonnet ben je gebonden aan de vorm en het rijm. In veertien regels ben je meer beperkt dan in dertig of veertig regels. Maar voor mij is dat nu de enige vorm van dichten, afgezien van mijn dichterlijk maatwerk, die ik opzoek én die mij opzoekt.

Kunstpoort Je werkt ook vaak in opdracht. Is dat niet moeilijker dan vanuit je innerlijke ziel te schrijven? Ontdek je zo onderwerpen, thema’s waar je anders nooit zou over dichten? Ben je meestal tevreden over deze ‘toegepaste’ dichtkunst?
Rob Van de Zande Ik schrijf altijd vanuit mijn ‘innerlijke ziel’. Anders zou het niet lukken. Een vers bij een beeld maken is een uitdaging. En op dat gebied zoek ik die maar al te graag op. Maar het is eerder een kwestie van erop of eronder. Of je hebt het in de vingers of niet. Beelden begeleiden met poëzie is niet iets dat je kan leren. Je kan het of je kan het niet.

Kunstpoort Wanneer ik je naam google vind ik vaak gedichten geschreven bij beeldende kunst. Je bent blijkbaar gespecialiseerd in dichtkunst op maat. Zo illustreerde je een kunstwerk van de overleden Daan van Golden met een gedicht. Valt het moeilijk een klassiek gedicht te schrijven bij hedendaagse kunst en/of abstracte kunst? Of zoek je net het contrast of de tegenstelling op?
Rob Van de Zande Zoals ik eerder schreef, het is een uitdaging. Toen Cor Gout, hoofdredacteur van het literair tijdschrift Extaze, me vroeg of ik iets wou schrijven bij een werk van van Golden, twijfelde ik niet. Meteen ging ik ermee aan de slag. En wat later stond het vers er. Let wel, ik had toen al een zestigtal beelden begeleid met poëzie, dus ik was niet bepaald aan mijn proefstuk toe. Maar voor zoiets kan je niet naar een leerschool, je kan het of je kan het niet.

Daan van Golden, Roses for Willem and Verena, c.a. 1975, papier, 51 x 41 cm.
copy right foto Literair tijdschrift Extaze

Als uit Victoriaanse tijden
Heeft hij ons thans geschapen:
Ranke blommen die verglijden
In timbres van woudknapen,
Leggen zij hun adem vast –
Waar wolk en vloed minnekozen
Blaas ik door m’n eedle kwast
Een tafereel vol blauwige rozen.

Rob Van de Zande
Liefderij 2020,
Uitgeverij Het Punt
ISBN 9789460795077

Kunstpoort Je publiceerde vier dichtbundels met als laatste – Liefderij Sonnetterie – Behalve poëzie schrijf je nu ook Minnebrieven -Brieven aan Haar- uitgeverij Aspekt.
Hoe anders voelt dit aan in vergelijking met poëzie schrijven? Kan je in je hoofd switchen van het ene genre naar het andere? Beschouw je deze Minnebrieven als poëzie in prozavorm?
Rob Van de Zande Correctie: Liefderij is de zesde bundel, die andere twee bundels hebben terecht hun ziel verloren. Ik werk in episodes van telkens drie of vier maanden. De ene keer werk ik vier maanden aan een manuscript met sonnetten, de andere keer aan een manuscript met minnebrieven. De brieven zijn eerder poëtisch dan prozaïsch, dus hoef ik niet al te veel te switchen. Ik zou het niet kunnen ook, prozaïsch schrijven, bedoel ik dan. Een proza-pen kan ik, helaas, niet hanteren.

Kunstpoort Zijn deze Minnebrieven een logisch gevolg of een vervolg op de gedichten? En waarom?
Rob Van de Zande De minnebrieven hebben weinig met de gedichten te maken. Afgezien van het feit dat ze gericht zijn aan dezelfde muze hebben ze niks met elkaar gemeen.

Kunstpoort Ik las een fragment van -Brieven aan Haar- op je blog van zondag 21 november 2021. Het taalgebruik laat me naar een tijdperk raden. In welke tijd mogen we deze ‘Brieven aan Haar’ situeren? Of beschouw je ze als tijdloos?
Rob Van de Zande Men schrijft vaak dat het personage in mijn bundels een 19e -eeuwse jongeling is. En in de brieven is dit niet anders. Ik schrijf telkens vanuit één en dezelfde ziel. Eén die nooit zal tanen of vergaan. Maar dat is meer een vloek dan een zegen.

Kunstpoort Is -Brieven aan Haar- biografisch?
Rob Van de Zande Brieven aan Haar is fictief, maar geschreven met een bloedende hand. Semi-biografisch dus.

Kunstpoort Mogen we je Minnebrieven romantisch noemen? Ben je een romanticus?
Rob Van de Zande Ze dateren vanuit een romantisch tijdperk. Ik heb ze geschreven in een staat van vervoering, dus ja, romantisch zijn ze wel, vind ik. Een romanticus, ik? Jammer genoeg wel ja, een romanticus pur sang. De vlam van een ware romanticus zal, hoe hevig de storm ook tegen de rozenblaadjes slaat, nooit echt doven.

Kunstpoort Ben je in je hoofd constant aan het dichten of gaat je poëtisch brein soms op slot? Vind je vaak inspiratie op vervelende momenten, midden in de nacht bijvoorbeeld of tijdens een boeiend gesprek wanneer je niet in de mogelijkheid bent iets te noteren?
Rob Van de Zande Kijk, voor mij is het dichterschap een leven op zich. Het is geen kantoor job, waarbij je in en uitklokt, en rechthebbend, uitkijkt naar vrije weekends en dergelijke. Nee, het is iets dat je overal waar je gaat meedraagt, meezeult beter gezegd. Maar ik heb er vijftien jaren geleden bewust voor gekozen en ‘contradictio in terminis’ kies ik er nog elke dag voor. Om op je vraag te antwoorden: je bent er voortdurend mee bezig, maar het is geen vorm van egoïsme; ik ga nog graag gesprekken, die niets met poëzie te maken hebben, aan. Meer nog, ik vind het boeiend en verrijkend iets bij te leren dat niets met mijn werk te maken heeft.

Kunstpoort Als je terugblikt op je eerste dichtbundel, ben je daar nog altijd tevreden over? Is je taalgebruik ondertussen veranderd?
Rob Van de Zande Tevreden is een groot woord, maar het is een natuurlijke gang van zaken; in die zin dat je pas goed wordt naarmate je het vaker doet. In het begin is het steeds wat zoeken, maar eenmaal je het gevonden hebt … En hetzelfde geldt met het taalgebruik. Al was ik, naar mijn mening, nooit echt modern in het taalgebruik. Jammer genoeg was de punt van mijn pen eerder dof dan glansrijk.

Kunstpoort Jou sonnetten zijn welluidende gedichten. Is een ritmisch, metrisch gedicht voor jou noodzakelijk voor een ‘goed’ gedicht?
Rob Van de Zande Wat is een goed gedicht? Ik denk dat iedere lezer dat voor zichzelf bepaalt. Er is niet echt een maatstaf, vind ik.

Kunstpoort Met welke dichters voel je je verwant?
Rob Van de Zande Ik zie niet echt een spiegel, maar een schim naast John Keats.

Kunstpoort Wie bewonder je onder de levende dichters?
Rob Van de Zande Bewonderen? Ik heb respect voor iedereen die een goede pen hanteert.

Kunstpoort Heb je nog toekomstplannen? Mogen we ooit een klassieke roman van je verwachten?
Rob Van de Zande Naast mijn dichterlijk maatwerk, zal ik me blijven toeleggen op het schrijven van sonnetten en minnebrieven. Maar een klassieke roman? Nee, helaas niet.

Kunstpoort Heb je een tip, kan je een dichtbundel aanraden, buiten je eigen dichtbundels, voor de lezers van Kunstpoort?
Rob Van de Zande Hangt ervan af wie wat wil, hé. In het algemeen durf ik te stellen dat ‘The Ballade of Reading Goal‘ van Oscar Wilde een aanrader is voor iedereen die goede, ritmische poëzie wil lezen.

INFO

http://robvandezande.blogspot.com/p/dichtbundel.html

http://robvandezande.blogspot.com/

Vraagstelling Kathleen Ramboer
Fotografie Bernadette Van de Velde